Marcel_bg.jpg

FotoCurling3Een van de olympische wintersporten is curling. Een sport die ons Nederlanders wezensvreemd is. Iemand gooit glijdend over het ijs een steen weg die ergens in een eindvak terecht moet komen. Zijn knechten gaan onderweg met een bezem tekeer om de baan voor de steen te effenen. Deze zonderlinge bezigheid lijkt door Monty Python of Jiskefet te zijn bedacht.

Curling hield de afgelopen dagen de Britten aan de buis gekluisterd, de Britse dames deden mee om een medaille. Wij Nederlanders halen onze neus ervoor op. Waarschijnlijk tot het moment dat een Nederlands team kans op een medaille heeft, dan zitten we ook met bier en nootjes voor de tv. Net zoals bij pijltjes gooien, ook al zo’n Britse rariteit, die de laatste tijd nogal wat Nederlandse winnaars kent.

Schaatsen, daar doen wij het voor. En dat gaat goed. Zo goed, dat Noren en Russen zich voor de 10.000 meter heren terugtrokken, kansloos als ze zich waanden. Zo goed zelfs dat een columnist van The Wall Street Journal zich beklaagde over de Nederlandse suprematie en, zoals dat gaat, Nederlandse haatmails over zich heen kreeg. Deze Matthew Futterman schreef gisteren in de Volkskrant in een ingezonden brief dat hij heel veel van Nederland houdt en de Nederlandse schaatsers alle succes gunt: ‘Ik fiets naar mijn werk. Kinderkopjes – cool. Ik ben dol op friet met mayonaise. Mijn winterjack is oranje.’

Schaatsen dus. Heel veel Nederlandse winnaars, maar ook curieuze tweede plaatsen. Jan Smeekens, die op het podium tussen een (Nederlandse) tweeling in kwam te staan. Ireen Wüst, die verloor van Jorien ter Mors, die haar gouden medaille liever in het shorttrack behaalt en de langebaan erbij doet. Sven Kramer, die op de 10 km werd verslagen door een marathonschaatser die liever de Elfstedentocht wint. En Koen Verweij, die op de 1500 meter verloor van een Poolse brandweerman.

Aan die tweede plaatsen werd in de media bijna nog meer aandacht besteed dan aan de winnaars van de gouden medaille. Drama, noodlot en tragiek kwamen om de hoek kijken, de pers is nooit zuinig met gezwollen taal en hysterische vergelijkingen.
Omdat Nederlanders vaak denken dat een tweede plaats typisch Nederlands is (voetbal, Joop Zoetemelk), hebben wij een speciale band met zilver. Ik denk dat volgende week de kranten een apart katern hebben met psychologen, sociologen, pedagogen, historici, documentairemakers, volkenkundigen, politici en glazenbolkijkers, die de tweede plaats ontleden en duiden.

Naast alle gouden medailles zijn er ook andere opmerkelijke Nederlandse resultaten. Carien Kleibeuker won brons op de 5000 meter – een schitterende achternaam, als van een personage in de roman Bint van Bordewijk. Carien is 35, moeder van een dochter van 5, fysiotherapeute, doet een deeltijdstudie en kan niet het hele jaar trainen. Toch bleef ze collega’s voor die zich alleen met schaatsen bezighouden.
De Nederlandse damesbob werd vierde, een prestatie van formaat voor een land zonder bobsleetraditie en -baan. De dames deden mee omdat ze het zo leuk vonden.

Bemoedigend voor sporters met een droom. Als in het langebaanschaatsen shorttrackers, marathonschaatsers, fysiotherapeuten en brandweermannen iets kunnen winnen, dan is dat toch voor iedereen met aanleg en doorzettingsvermogen weggelegd?

Morgen zijn bij het schaatsen de finales van de ploegenachtervolging. De Nederlandse dames en heren zijn torenhoog favoriet. Of maken we het mee dat Nederland achter een stelletje buitenlandse timmerlui, stukadoors of deeltijdboswachters tweede wordt?